|
De veelvraat is een zeldzame verschijning.
Toch was ik er zeker van dat ik er ooit een gezien heb. Op een talud
langs de snelweg, even voorbij Oslo, zag ik in de winter van 2005 een
hele vreemde hond lopen. Niet alleen was de hond mij onbekend, ook de
plaats waar het dier liep vond ik vreemd. Een hond loopt niet rustig,
helemaal alleen, op een talud te snuffelen. Het beeld van deze hond
bleef mij voor ogen. Tot ik een afbeelding van een veelvraat zag. Toen
viel alles op zijn plaats. Ik zocht meer informatie over dit dier. En ik
ben er zeker van, het was een veelvraat. Helaas, ik heb er geen foto van
gemaakt. Maar zo ziet hij eruit:
veelvraat in de dierentuin van
Kristiansand
De veelvraat leeft in het hoge noorden van Europa, Alaska en Canada. In Scandinavië komt de veelvraat voor in kleine
gebieden in centraal Noorwegen, langs de grens met Zweden en in
noordoostelijk Finland. De veelvraat is gevoelig voor verstoring en
daardoor dreigen lokaal populaties uit te sterven.
In
de oude Scandinavische talen wordt deze diersoort "fjellfrass" genoemd.
De klank van dit woord lijkt op "Vielfraß", de Duitse naam voor deze
soort dat "veelvraat" in het Nederlands betekent. Er is wat "misgegaan"
in de vertaling als men weet dat "fjellfrass" eigenlijk "rotskat" of
“bergkat” betekent. De naam heeft dus niets te maken met hoe of hoeveel
het dier eet maar is een verbastering van de oorspronkelijke
Scandinavische naam.
De veelvraat is met zijn gewicht tot wel 25-30
kilogram de grootste op het land levende marterachtige. Alleen de
reuzenotter is groter. Mannetjes zijn tussen de 80 en 100 centimeter lang,
de vrouwtjes zijn iets kleiner. De staart is 25-35 centimeter lang, de
schouderhoogte 40-45 centimeter.

De veelvraat is een kloeke en gespierde marterachtige, heeft een massief
lichaam en korte poten, die ver uiteen staan en eindigen in brede voeten
met lange scherpe klauwen. Hij heeft een ruige dichtgeplante vacht, zeer
donker van boven, bleekbruin op de flanken en donkerbruin op de buik. De
veelvraat heeft lichtere, gelige vlekken op de kop en een gele streep
van de schouders via de flanken naar de lange staart loopt.
De veelvraat eet zowel vers als verrot vlees met
hetzelfde enthousiasme. Hij jaagt zelf, maar eet ook restanten van de
prooi van andere dieren of dieren die tengevolge van een ziekte of
ongeluk om het leven gekomen zijn. Als de veelvraat zijn maal niet
helemaal op kan, dan verstopt hij de rest om later op te eten. Meestal
bestaat zijn voedsel uit kadavers, eieren, knaagdieren zoals lemmingen,
hazen, muizen maar ook vogels, insecten en bessen.
Schaapkuddes
in Noorwegen lopen een groot deel van het jaar vrij rond in de natuur en
komen zo vaak op onherbergzame plekken. Veelvraten jagen regelmatig op
de lammeren uit deze kuddes. Om deze reden zijn veelvraten niet geliefd
onder Noorse schapenboeren en worden ze soms zelfs afgemaakt. NINA (het
Noorse Instituut voor Natuuronderzoek in Trondheim) zocht contact met
boeren in de omgeving om samen te zoeken naar oplossingen. Met hulp van
deze boeren probeert men nu te achterhalen waar de lammeren het meeste
risico lopen te worden gedood door veelvraten. In die gebieden zou men
de kuddes kunnen weren. Dankzij de boeren kregen 18 schapen een
radiokraag, waarmee kan worden bepaald wat het verspreidingsgebied van
de kuddes is. En 200 lammeren uit die kuddes kregen een speciale ‘stervelijkheidskraag’.
Deze kragen geven een signaal als een lam dood is (niet meer beweegt).
Nader onderzoek moet dan uitwijzen of dat lam daadwerkelijk slachtoffer
is geworden van een veelvraat.
De veelvraat beweegt zich voort in korte galop. Hij
springt, klimt en zwemt goed.
onopvallend tussen
de bosjes
De veelvraat is niet erg snel en in tegenstelling
tot zijn kleinere familieleden geen begaafde sluiper. Hij kan zich
hoogstens achter een rots in een soort hinderlaag verschuilen of zich
van een overhangende tak op zijn slachtoffer laten vallen. Hij vertrouwt
voornamelijk op zijn ongewone moed bij het verdrijven van andere
roofdieren van hun prooi. De veelvraat ontbloot zijn tanden, zijn haren
op nek en rug gaan overeind staan. Zelfs beren laten bij zo`n dreigend
vertoon een karkas liggen en gaan er vandoor. Hij heeft een opmerkelijk
sterk gebit en sterke kaken en er wordt beweerd dat hij grote botten tot
poeder kan vermalen en takken van 5 cm doorsnee met gemak in tweeën
bijt. Toch geven betrouwbare meldingen de indruk dat de veelvraat,
tenzij je een moeder met met jongen verstoord, niet agressief is tegen de mens.
Veelvraten leven alleen, behalve gedurende de voortplantingstijd en
houden een zeer uitgestrekt maar nauwkeurig begrensd territorium.
Veelvraten zijn dag en nacht actief. Ze jagen voornamelijk `s nachts,
maar neigen naar een 3- of 4-uurs ritme van afwisselend jagen en rusten.
Ze graven geen hol en maken geen blijvend leger, maar gebruiken elke
beschikbare natuurlijke schuilplaats in het gebied waar ze aan het jagen
zijn. Wanneer ze door de mens gemaakte schuilplaatsen gebruiken,
vernielen ze soms een aantal planken van de hut om een toegang te
forceren; ze veranderen het interieur in een chaos, verorberen alles wat
eetbaar is en slepen allerlei andere voorwerpen weg. Dit heeft hen de
onverdiende reputatie bezorgd moedwillige vandalen te zijn. De mannetjes
hebben een enorm territorium van ongeveer 600 tot 1000 km². Binnen dit
gebied liggen de territoria van twee of drie vrouwtjes. Het gebied van
de vrouwtjes is ongeveer 100 tot 350 km². De vrouwtjes dulden geen
andere vrouwtjes in hun territoria. Ook mannetjes tolereren in een groot
gedeelte van hun territorium geen andere veelvraten van hetzelfde
geslacht.

De paartijd duurt van april tot augustus. Door een verlengde
draagtijd komt het embryo niet tot ontwikkeling tot in januari. In
februari of maart worden één tot vier jongen geboren. Deze jongen gaan
tot begin mei nooit ver van het hol af. De jongen, die eerst een lichte
vacht hebben, worden ongeveer acht tot tien weken gezoogd. In augustus
verlaten de mannelijke jongen het woongebied van de moeder. Vrouwelijke
jongen kunnen de rest van hun leven doorbrengen in of vlakbij het
woongebied van hun moeder. De mannetjes moeten een eigen territorium
gaan zoeken.
In Finland is de soort beschermd, maar jachtvergunningen worden
makkelijk afgegeven aan rendierhouders, en de illegale jacht komt
regelmatig voor. Veelvraten zijn niet geliefd bij jagers, omdat zij
vallen leeghalen. De veelvraat wordt in sommige gebieden om zijn
bontvacht bejaagd. Toch vormt de grootste bedreiging zijn eigen
nieuwsgierigheid. De veelvraat volgt de pelsjagers en haalt het aas uit
de vallen. En schijnbaar met veel plezier haalt hij, op zoek naar voedsel,
jagershutten overhoop. Als dank laat de veelvraat dan ook nog eens een
doordringend reukspoor achter. Je ziet die jagers al tandenknarsen...
De veelvraat leeft in de naaldwouden die te vinden
zijn 250-4000 meter boven de zeespiegel. Verder leeft hij in moerassen
en bergbossen met steile bossen. In Noorwegen leven naar schatting
240-300 veelvraten in voornamelijk aan Zweden grenzende gebieden. De
laatste vijf jaar is het aantal veelvraten in Scandinavië met 40%
gedaald.
De veelvraat is opgenomen in een Europees
fokprogramma (EEP). Dit programma wordt gecoördineerd door een Zweedse
dierentuin, Nordens Ark.
In Nederland was hij te zien in de diergaarde in
Rotterdam, diergaarde Blijdorp.




Ik
besteed veel tijd en aandacht aan het maken van mijn websites. Ik hoop
dat je hier respect voor hebt. Met andere woorden dat je geen teksten of
foto’s van mijn site haalt zonder mijn toestemming. Dank je.
|