het rendier
de kariboe Spitsberg-rendier fotoalbum rendier het bosrendierhet rendier de eland de muskusos de lynx de veelvraat de poolvos de wolf de berglemmingStart wild in Noorwegen Natuurgebieden fauna flora

 

 

   Rendieren behoren tot de herten. Het is het enige hertensoort waarbij zowel het mannetje als het wijfje een gewei dragen. Het mannetje is te herkennen aan het grotere gewei. Het mannetje gebruikt het gewei bij de gevechten om de wijfjes. Het gewei van een mannetje is ongeveer 52 tot 130 centimeter lang, dat van een wijfje wordt 23 tot 50 centimeter lang. De mannetjes verliezen het gewei in december of januari, wijfjes verliezen hun gewei in mei. In deze periode worden de wijfjes met de grootste geweien de baas. Een kalfje krijgt een gewei als het twee maanden oud zijn.

   De vachtkleur van een rendier varieert van wit tot bijna zwart. Zij hebben een dubbele vacht. De ondervacht bestaat uit donsharen, de bovenvacht uit holle, met luchtgevulde dekharen. De voeten zijn diep en breed gespreid. De hoeven zijn verbreed en geven door de holle onderzijde en de plukken haar daarop goed houvast op gladde ondergrond, sneeuw en ijs, en in moerassen. Tijdens het lopen maken de pezen van de poten van het rendier een klikkend geluid. Door dit klikkend geluid kunnen de dieren elkaar in het donker volgen en zo blijft ook in de poolnacht, als de rendieren elkaar niet kunnen zien, de kudde bijeen.

   Mannetjes zijn ook groter dan de vrouwtjes en wegen tussen de 70 en 150 kilo. Een vrouwtje weegt tussen de 40 en 100 kilo. Rendieren zijn ruim een meter hoog. De mannetjes hebben bij het strottenhoofd een vuistgrote, opblaasbare huidzak. Deze werkt als een geluidsversterker.

   De sociale rangorde verandert met het seizoen, maar in het algemeen geldt: hoe groter het gewei van het mannetje, des te hoger staat hij op de maatschappelijke ladder. Tijdens de bronstijd zijn de volwassen mannetjes met hun grote geweien de baas. Na de bronstijd werpen de mannetjes het gewei af vóór de wijfjes, en in die tijd worden de wijfjes de baas. Bovendien deelt elk kalf de status van zijn moeder. Onderzoek wijst uit dat een oud mannetje, ervaren in het vechten en het behouden van de verworven status, heeft geleerd "zijn eigen kracht te kennen", wat kan verklaren dat soms zelfs mannetjes zonder gewei hun sociale status kunnen behouden. Gedurende de winter blijft het kalf bij de moeder en foerageert (eet) uit de "krater" die zijn moeder in de sneeuw heeft gemaakt. Als de wijfjes geen gewei zou hebben zou zij mogelijk worden verdreven door andere leden van de kudde op zoek naar een gemakkelijk maal en het kalf zou van de honger omkomen. Het gewei van het wijfje is dus heel nuttig!

   Rendieren leven in kuddes. Sommige populaties leven 's zomers op de toendra, en 's winters in het woud. Tijdens deze migraties kunnen ze meer dan 1000 kilometer afleggen. In de zomer leven de wijfjes in kleine groepjes, geleid door een ouder wijfje. In september, vlak voor het begin van de bronstijd, sluit een mannetje zich aan bij de wijfjes, en leven de dieren in een harem. In de lente, vlak voor de jaarlijkse trek, sluiten de kuddes zich aan in een grotere kudde.

   De bronstijd duurt van eind september tot in oktober. Na een draagtijd van 210 tot 240 dagen wordt één kalf geboren. Tweelingen zijn zeldzaam. De jongen worden geboren in mei en juni. Ze hebben een egaal roodbruine vacht en wegen 4 tot 8 kilo. Ze kunnen binnen een uur na de geboorte lopen. De zoogtijd duurt ongeveer een maand. Kalveren blijven één tot drie jaar bij hun moeder. De meeste rendieren paren voor de eerste keer als ze achttien maanden oud zijn. Rendieren worden gemiddeld meer dan 10 jaar oud. Bij vrouwtjes ligt de gemiddelde leeftijd hoger, zo tussen de veertien en de vijftien jaar. Maar er zijn uitzonderingen, de oudst bekende leeftijd van een rendier is 28 jaar.

  Rendieren eten vooral rendiermos, een korstmos. Als de toendra bedekt is met sneeuw en ijs, weten de rendieren dit met de hoeven te verwijderen om zo toch bij het mos te kunnen komen. Ook andere korstmossen, gras en zeggen worden gegeten. Het menu wordt verder aangevuld met bladeren, scheuten en paddestoelen.

   Het rendier is een nomade, een zwerver, net als de mensen die hem tam hebben gemaakt, de Sami. Een rendier is volledig aangepast aan de barre omstandigheden van het gebied waar zij leven. Een rendier kan de weg vinden in de hevigste sneeuwstorm. Rendieren zijn door de mensen gedomesticeerd, tam gemaakt. Men denkt dat de domesticatie is begonnen in de 5e eeuw. Toen werden de eerste tamme dieren gebruikt als lokdieren bij de jacht op hun wilde soortgenoten. Een jager ging met 4-5 tamme rendieren aan een lijn naar een wilde kudde, zonder deze in paniek te brengen, om zo zijn pijlen op korte afstand op de prooi af te kunnen schieten. Van een stam in Siberië is bekend dat zij tamme bronstige wijfjes gebruikten om wilde bokken te lokken, die daarna afgeschoten werden. Met de tijd brachten de tamme wijfjes voldoende jongen ter wereld om een kudde te kunnen vormen. Deze kuddes leven vrij op de hoogvlaktes. In het noorden van Noorwegen, Zweden en Finland, in Lapland, worden de kuddes gehoed door de Sami. In de winter wordt de kudde bijeengedreven en naar de winterkampen gebracht.

   Rendieren zijn voor de volkeren in het Noorden van Noorwegen, Zweden, Finland en Siberië wat in vroegere tijden het rund was voor de zuidelijkere volkeren. De rendieren geven de mens alles wat het nodig heeft. Voedsel in de vorm van melk, waar ook kaas van wordt gemaakt, en vlees. De huid wordt bewerkt tot een heerlijk zacht leer wat zeer geschikt is voor kleding en schoenen. Maar ook gebruiksartikelen als kussens, gordijnen en de tentdoeken worden uit het leer gemaakt. De pezen worden gebruikt als garen om schoenen, kleding en dergelijke te maken. Van de beenderen worden de naalden gemaakt. De darmen worden gebruikt als zak om iets in te bewaren. Rendieren worden als lastdieren gebruikt of om sleeën te trekken. De prestaties van het rendier als trekdier zijn groter dan die van een paard op oneffen of bevroren terrein.
Een rendier kan een gewicht van 135 kilo trekken met een gemiddelde snelheid van 12 km per uur en kan per dag 55 km afleggen.

   Het zijn zeer gemakkelijk en goedkoop te onderhouden dieren doordat ze de kou kunnen verdragen en geen stal nodig hebben; ze zoeken hun eigen voedsel, zelfs als er een dikke sneeuwlaag ligt.                                                      

                                                       

   Het leefgebied van de laatste kuddes wilde rendieren in Europa wordt kleiner en kleiner. Er komen nog wilde kuddes voor op de Hardangervidda en de Dovrefjell. Dat blijkt uit een inventarisatie die Christian Nellemann van de UNEP (United Nations Environment Programme) met collega's heeft uitgevoerd in Zuid-Noorwegen, waar de laatste wilde kuddes over de toendra's trekken.

   Door dat slinkende leefgebied is hun aantal van 60.000 in de jaren 60 naar 30.000 vandaag de dag gedaald. Die populatie is ook nog eens in 24 geïsoleerde groepen uiteen gevallen. Als de achteruitgang zich in het huidige tempo voortzet, blijven er in 2020 nog slechts 15.000 wilde rendieren in Noorwegen over. Het gebrek aan ruimte brengt ook nog een aantal specifieke problemen met zich mee, zoals overbegrazing van de resterende toendra's en een daling van het aantal geboortes.

   De onderzoekers menen dat de Noorse overheid als eerste de ongebreidelde groei van de aanleg van skiliften aan banden moet leggen. Verder zouden de bestaande nationale parken, zoals Dovrefjell, moeten worden uitgebreid.

   Naast het rendier zoals hierboven beschreven en zoals te zien in het fotoalbum, bestaan er nog andere soorten rendieren. Volg de onderstaande linken om ook met deze rendieren kennis te maken.

de kariboe Spitsberg-rendier fotoalbum rendier het bosrendier

het rendier de eland de muskusos de lynx de veelvraat de poolvos de wolf de berglemming

 

    Ik besteed veel tijd en aandacht aan het maken van mijn websites. Ik hoop dat je hier respect voor hebt. Met andere woorden dat je geen teksten of foto’s van mijn site haalt zonder mijn toestemming. Dank je.