zomer 2010
2 augustus '10 3 augustus '10 4 augustus '10 5 augustus '10 6 augustus '10 7 augustus '10 8 augustus '10 9 augustus '10 10 augustus '10 11 augustus '10Start Reisverslagen zomer 2004 winter 2005 zomer 2005 zomer 2006 zomer 2007 voorjaar 2008 herfst 2009 zomer 2010 gjestebok  

 

    Dit jaar was het een hele andere vakantie. Dit jaar ging ik te paard! Eigenlijk al een droom van een tijd geleden, op een paard over het Noorse fjell. Maar ik reed geen paard. Ter voorbereiding van deze ben ik dus eerst rijlessen gaan nemen. Al snel na dat ik mijn verblijf in Hjerkinn Fjellstue had geboekt ben ik naast de lessen op "grote" paarden ook rijlessen op IJslanders gaan volgen. En daar verloor ik mijn hart aan deze geweldige paarden. En werd niet meer het rijden over de fjells mijn droom maar het třlten over de Noorse fjells. En die droom is uitgekomen! Het verhaal begint hieronder.

   Ik ga dit jaar naar Hjerkinn en zal daar verblijven in een fjellstua, een herberg. Een herberg met geschiedenis.

Het woord Fjellstue betekent berg-lodge of herberg. In de oude tijd, zo rond 900 na Christus, trokken de inwoners van Noorwegen vanuit het zuiden naar het noorden. Zo ontstonden de eerste wegen en paden door en over de bergen. Om de reizigers in dit onherbergzame gebied onderdak te verschaffen werden er kleine hutten gebouwd. Hier konden de reizigers rusten of schuilen. Deze hutten waren altijd open en dus altijd toegankelijk voor de reizigers. De Hjerkinn Fjellstue daarin tegen werd al in vroege tijden permanent bewoond. Tijdens het bewind van Koning Eystein werd een systeem van Fjellstues opgezet. Permanent bewoonde Fjellstues die de reiziger naast een schoon verblijf ook voedsel bood.

De enige manieren om van zuid naar noord te reizen was over de weg of over de zee. Het werd gebruikelijk om via de weg te reizen, gebruik makend van alle Fjellstues langs de route. En zo reisden alle mensen, ook de Koningen. Er reisden zelfs zoveel koningen langs deze weg dat deze weg bekend werd als de Konginsweg, Kongevegen.

Ondanks de Fjellstues eiste de barre tocht en het harde klimaat vele levens. Voor de reizigers die tijdens hun tocht stierven was de begraafplaats bij de Hjerkinnkerk  hun laatste rustplaats. In de zomermaanden was het de taak van de eigenaar van de Hjerkinn Fjellstue om de lichamen van de gestorven reizigers op te zoeken en hen naar de kerk te brengen. Tegenover de huidige kerk van Hjerkinn, zo´n 200 meter van Hjerkinn Fjellstue, ligt de plek waar de kerk oorspronkelijk stond. Deze is in 1536, tijdens de reformatie, afgebrand. Na het afbranden van de kerk werden de lichamen naar de kerk in Dovre gebracht.  Bij slecht weer luidden de kerk van Hjerkinn de klokken om de reizigers de weg te wijzen. Tussen 1536 en 1996 moesten de reizigers het in weer en wind zonder deze hulp stellen en hun eigen weg vinden.

Toen men een nieuwe weg naar Folldal aanlegden werden er zoveel schedels en botten gevonden dat men niet meer wist wat ze er mee moesten doen. De oplossing werd geboden door John Hjerkinn, de eigenaar van de Hjerkinn Fjellstue. Hij en zijn vrouw Ingrid hadden 10 kinderen en daarom moest hij de Fjellstue uitbreiden. John Hjerkinn gebruikte de botten en de schedels als fundering voor de nieuwe aanbouw. 

Door dat de Fjellstue hooggelegen was, was het niet mogelijk voor de eigenaren van de Fjellstue de gebruikelijke gewassen te telen en zij voorzagen in hun levensonderhoud door de jacht, de visvangst en zij lieten hun dieren in de zomer grazen op het gras. In de zomer verzamelden ze voorraden mos die zij in de hutten in de bergen opsloegen. Als het winter werd werden de voorraden mos op sleeën geladen en konden zo heel makkelijk naar de Fjellstues gebracht worden. Om de eigenaren van de 4 Fjellstues te gemoed te komen en als beloning voor hun vele taken had de Koning een belasting ingesteld. De boeren in de omgeving moesten deze belasting aan de Fjellstues betalen in de vorm van granen of maďs.                                                                                                                                         Tijdens de 19e eeuw reisden veel Engelse graven naar de Hjerkinn Fjellstue om speciale jachtvalken- jaktfalk- te vangen en mee naar huis te nemen. Speciale vallen werden opgericht op de toppen van de omringende heuvels om deze vogels te vangen. De vogels werden meegenomen naar huis en daar getraind.

Naast hun rechten hadden de Fjellstue eigenaren natuurlijk ook verplichtingen. Sommige van deze verplichtingen kwamen de eigenaren letterlijk duur te staan. Zij ontvingen immers geen vergoeding in hun kosten. De meest belastende taken waren het bezoek van de koning zelf, omdat hun gevolg kon bestaat uit wel 300 personen! De Fjellstue eigenaren waren ook verantwoordelijk voor het transport van de koning en zijn gevolg naar de volgende Fjellstue langs de route. Daarnaast werden alle werknemers van de koning,verblijvend in het gebied rond de Fjellstue, gevoed door de Fjellstue, wederom zonder terugbetaling. Elke reiziger had eveneens recht op kost en inwoning, en hoewel de meeste betaalden voor deze diensten, velen andere deden dit niet. Dit waren voornamelijk zigeuners, en omdat men de zigeuners niet in huis wilden hebben en het feit dat ze luizen hadden, werden erbij de Fjellstue aparte accommodatie voor hen gebouwd.

Met de komst van de telegraaf, werden de Fjellstue eigenaars verantwoordelijk voor het doorgeven van de berichten, opnieuw op eigen kosten.  En toen de wegen verbeterde en werden gebruikt door paarden en auto's, werd het de verantwoordelijkheid van wederom de Fjellstue eigenaar om er voor te zorgen dat aan het eind van de winter de weg werd schoongemaakt. Voor de Hjerkinn Fjellstue betekent dit het schoonmaken van de weg van Anfinnsbrua tot "Fylkesgrensen" - de grens met de volgende provincie of communie.

In 1718 zijn alle fjellstues afgebrand door het Noorse leger in hun oorlog tegen Zweden. Om te verkomen dat de Zweden verder naar het zuiden door konden trekken. De Zweedse  generaal heeft toen geprobeerd om via Řsterdalen naar het zuiden te komen, maar hij en al zijn mankrachten stierven in de kou. De branden betekende dat 27 huizen in Hjerkinn, 25 in Kongsvoll, 23 in Fokstua en 42 in Drivstua, werden vernietigd. Kongsvoll en Drivstua kregen van Koning Fredrik slechts een hout gebouw ter vervanging van de vernietigde Fjellstue.

In de late jaren van 1800 begonnen Hjerkinn en Fokstua met het aannemen van gasten voor langere tijd en dit betekende het begin van het toerisme. Het klimaat was ook geschikt voor mensen die lijden aan tbc, zij konden bij de Fjellstue rusten achter de hoge ramen in de warme "sanatorium". Deze glazen veranda's werden gekopieerd uit Zwitserland, maar omdat de zomers zijn kort in Noorwegen, en deze veranda's te koud waren in de winter, het idee was geen succes.

Drivastua is niet langer een Fjellstue en wordt gerund als een boerderij. Kongsvoll werd bij wilsbeschikking door de laatste eigenaar overgedragen aan de staat en is nu gedeeltelijk in gebruik als Fjellstue. Onder beheer van de universiteit in Trondheim, welke het beheert namens het ministerie van Milieu. Fokstua is nu ook een boerderij en dus de Hjerkinn Fjellstue is het enige volledig operationele oude Fjellstue nog in Noorwegen.

Hjerkinn Fjellstue is op 18e juli 1990 afgebrand. Het nieuwe hotel opende haar deuren 10 januari 1992.”

  

 

    Maar natuurlijk verblijf ik hier niet vanwege deze geschiedenis. De ligging, vlakbij de Dovre en de Dovrefjell, spreken mij erg aan. En natuurlijk ook de vele wandelmogelijkheden. Maar het zijn de paarden die de werkelijke reden van mijn verblijf zijn. Ik ga hier 6 dagen paardrijden, door de bossen en  over de fjells. De Fjellstue organiseert meerdaagse tochten met IJslandse paarden. Ik heb gekozen voor de 6-daagse tour. En dat betekend 4 halve dagen rijden en twee hele dagen. Op IJslandse paarden. En dat maakt het dan weer extra speciaal.

'IJslanders zijn anders' hoor je vaak zeggen. Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan dit ras? Het kleine formaat en de bijzondere kleuren vallen direct op. Maar voor veel IJslanderruiters maken vooral het temperament en de extra gangen van rijden een feest.

Karakter

Een typische IJslander is zelfstandig, werklustig, sensibel en vriendelijk. IJslanders zijn echte kuddedieren. De jonge paarden groeien in grote groepen op, vaak in begrazingsprojecten. De kuddegenoten geven elkaar een gedegen opvoeding in respect en communicatie. Iets waar de ruiter later weer profijt van kan hebben. De eerste rit op een IJslander is voor veel ruiters een openbaring. Een echte IJslander denkt voorwaarts, dus loopt uit zichzelf. Niet te vergelijken met het gemiddelde manegepaard! Bij veel IJslanders valt ook hun sensibiliteit op. Lichte hulpen zijn vaak voldoende om het paard aan het werk te zetten. En bij de versnelling komt de sensatie: de tölt!

Gangenpaard

Het zal niemand verbazen dat de IJslander, net als ieder paard, kan stappen, draven en galopperen. Maar een gangenpaard kan meer! De IJslander heeft nog twee versnellingen tot zijn beschikking: de tölt en de telgang.

Tölt

In de tölt zijn het paard zijn benen hetzelfde neer als in de stap. Het gaat alleen wat sneller. Of veel sneller: kijk maar eens naar een IJslander die in vliegende rentölt langskomt. In de tölt heeft het paard geen zweefmoment. Dat betekent dat er altijd een voet aan de grond is, het paard maakt dus geen ‘sprongetje’. En daardoor zit een goede tölt zeer comfortabel, ook op hoge snelheid. In een goede tölt loopt de IJslander sterk verzameld met veel oprichting van de voorhand. Het paard heeft een trotse houding, gecompleteerd door het ritmisch meedeinen van de staart.

Telgang

In de telgang beweegt de IJslander de twee benen aan één kant tegelijk. Dus eerst gaan het linker achter- en voorbeen tegelijk naar voren, dan het rechter achter- en voorbeen. Daartussen is een zweefmoment: alle vier de benen zijn even los van de grond. In deze gang kan de IJslander erg hard gaan. Je ziet ook vaak IJslanders in een langzame telgang lopen. Uit de benaming schweinepass blijkt al wel dat deze vorm van ‘telgang’ niet gewaardeerd wordt. Niet alle IJslanders kunnen telgangen. Paarden met alleen tölt noemt men viergangers; als ze ook aanleg hebben voor telgang spreekt men van vijfgangers.

Bij veel IJslanders lopen de gangen min of meer in elkaar over. Het vraagt daardoor wel wat techniek en veel gevoel van de ruiter om de verschillende gangen goed te rijden. Die complexiteit maakt voor veel IJslanderruiters het rijden alleen maar boeiender. Ruiters die een natuurtölter treffen hebben het overigens beduidend makkelijker: dit soort IJslanders tölt altijd en overal, onder alle omstandigheden.                                                      

Bron : Nederlands Stamboek voor IJslandse paarden.

 

    

                                     cid:image007.jpg@01CB4143.585B16D0

  

 

2 augustus '10 3 augustus '10 4 augustus '10 5 augustus '10 6 augustus '10 7 augustus '10 8 augustus '10 9 augustus '10 10 augustus '10 11 augustus '10