|
Dit jaar was het een hele andere vakantie. Dit
jaar ging ik te paard! Eigenlijk al een droom van een tijd geleden, op
een paard over het Noorse fjell. Maar ik reed geen paard. Ter
voorbereiding van deze ben ik dus eerst rijlessen gaan nemen. Al snel na
dat ik mijn verblijf in Hjerkinn Fjellstue had geboekt ben ik naast de
lessen op "grote" paarden ook rijlessen op IJslanders gaan volgen. En
daar verloor ik mijn hart aan deze geweldige paarden. En werd niet meer
het rijden over de fjells mijn droom maar het třlten over de Noorse
fjells. En die droom is uitgekomen! Het verhaal begint hieronder.

Ik ga dit jaar naar Hjerkinn en zal
daar verblijven in een fjellstua, een herberg. Een herberg met
geschiedenis.
“Het woord Fjellstue betekent berg-lodge of
herberg. In de oude tijd, zo rond 900 na Christus, trokken de inwoners
van Noorwegen vanuit het zuiden naar het noorden. Zo ontstonden de
eerste wegen en paden door en over de bergen. Om de reizigers in dit
onherbergzame gebied onderdak te verschaffen werden er kleine hutten
gebouwd. Hier konden de reizigers rusten of schuilen. Deze hutten waren
altijd open en dus altijd toegankelijk voor de reizigers. De Hjerkinn
Fjellstue daarin tegen werd al in vroege tijden permanent bewoond.
Tijdens het bewind van Koning Eystein werd een systeem van Fjellstues
opgezet. Permanent bewoonde Fjellstues die de reiziger naast een schoon
verblijf ook voedsel bood.
De enige manieren om van zuid naar noord te
reizen was over de weg of over de zee. Het werd gebruikelijk om via de
weg te reizen, gebruik makend van alle Fjellstues langs de route. En zo
reisden alle mensen, ook de Koningen. Er reisden zelfs zoveel koningen
langs deze weg dat deze weg bekend werd als de Konginsweg, Kongevegen.
Ondanks de Fjellstues eiste de barre tocht en
het harde klimaat vele levens. Voor de reizigers die tijdens hun tocht
stierven was de begraafplaats bij de Hjerkinnkerk hun laatste
rustplaats. In de zomermaanden was het de taak van de eigenaar van de
Hjerkinn Fjellstue om de lichamen van de gestorven reizigers op te
zoeken en hen naar de kerk te brengen. Tegenover de huidige kerk van
Hjerkinn, zo´n 200 meter van Hjerkinn Fjellstue, ligt de plek waar de
kerk oorspronkelijk stond. Deze is in 1536, tijdens de reformatie,
afgebrand. Na het afbranden van de kerk werden de lichamen naar de kerk
in Dovre gebracht. Bij slecht weer luidden de kerk van Hjerkinn de
klokken om de reizigers de weg te wijzen. Tussen 1536 en 1996 moesten de
reizigers het in weer en wind zonder deze hulp stellen en hun eigen weg
vinden.
Toen men een nieuwe weg naar Folldal aanlegden
werden er zoveel schedels en botten gevonden dat men niet meer wist wat
ze er mee moesten doen. De oplossing werd geboden door John Hjerkinn, de
eigenaar van de Hjerkinn Fjellstue. Hij en zijn vrouw Ingrid hadden 10
kinderen en daarom moest hij de Fjellstue uitbreiden. John Hjerkinn
gebruikte de botten en de schedels als fundering voor de nieuwe aanbouw.
Door dat de Fjellstue hooggelegen was, was het
niet mogelijk voor de eigenaren van de Fjellstue de gebruikelijke
gewassen te telen en zij voorzagen in hun levensonderhoud door de jacht,
de visvangst en zij lieten hun dieren in de zomer grazen op het gras. In
de zomer verzamelden ze voorraden mos die zij in de hutten in de bergen
opsloegen. Als het winter werd werden de voorraden mos op sleeën geladen
en konden zo heel makkelijk naar de Fjellstues gebracht worden. Om de
eigenaren van de 4 Fjellstues te gemoed te komen en als beloning voor
hun vele taken had de Koning een belasting ingesteld. De boeren in de
omgeving moesten deze belasting aan de Fjellstues betalen in de vorm van
granen of maďs.
Tijdens de 19e eeuw reisden veel Engelse graven naar de Hjerkinn
Fjellstue om speciale jachtvalken- jaktfalk- te vangen en mee naar huis
te nemen. Speciale vallen werden opgericht op de toppen van de
omringende heuvels om deze vogels te vangen. De vogels werden meegenomen
naar huis en daar getraind.
Naast hun rechten hadden de Fjellstue eigenaren
natuurlijk ook verplichtingen. Sommige van deze verplichtingen kwamen de
eigenaren letterlijk duur te staan. Zij ontvingen immers geen vergoeding
in hun kosten. De meest belastende taken waren het bezoek van de koning
zelf, omdat hun gevolg kon bestaat uit wel 300 personen! De Fjellstue
eigenaren waren ook verantwoordelijk voor het transport van de koning en
zijn gevolg naar de volgende Fjellstue langs de route. Daarnaast werden
alle werknemers van de koning,verblijvend in het gebied rond de
Fjellstue, gevoed door de Fjellstue, wederom zonder terugbetaling. Elke
reiziger had eveneens recht op kost en inwoning, en hoewel de meeste
betaalden voor deze diensten, velen andere deden dit niet. Dit waren
voornamelijk zigeuners, en omdat men de zigeuners niet in huis wilden
hebben en het feit dat ze luizen hadden, werden erbij de Fjellstue
aparte accommodatie voor hen gebouwd.
Met de komst van de telegraaf, werden de
Fjellstue eigenaars verantwoordelijk voor het doorgeven van de berichten,
opnieuw op eigen kosten. En toen de wegen verbeterde en werden gebruikt
door paarden en auto's, werd het de verantwoordelijkheid van wederom de
Fjellstue eigenaar om er voor te zorgen dat aan het eind van de winter
de weg werd schoongemaakt. Voor de Hjerkinn Fjellstue betekent dit het
schoonmaken van de weg van Anfinnsbrua tot "Fylkesgrensen" - de grens
met de volgende provincie of communie.
In 1718 zijn alle fjellstues afgebrand door het
Noorse leger in hun oorlog tegen Zweden. Om te verkomen dat de Zweden
verder naar het zuiden door konden trekken. De Zweedse generaal heeft
toen geprobeerd om via Řsterdalen naar het zuiden te komen, maar hij en
al zijn mankrachten stierven in de kou. De branden betekende dat 27
huizen in Hjerkinn, 25 in Kongsvoll, 23 in Fokstua en 42 in Drivstua,
werden vernietigd. Kongsvoll en Drivstua kregen van Koning Fredrik
slechts een hout gebouw ter vervanging van de vernietigde Fjellstue.
In de late jaren van 1800 begonnen Hjerkinn en
Fokstua met het aannemen van gasten voor langere tijd en dit betekende
het begin van het toerisme. Het klimaat was ook geschikt voor mensen die
lijden aan tbc, zij konden bij de Fjellstue rusten achter de hoge ramen
in de warme "sanatorium". Deze glazen veranda's werden gekopieerd uit
Zwitserland, maar omdat de zomers zijn kort in Noorwegen, en deze
veranda's te koud waren in de winter, het idee was geen succes.
Drivastua is niet langer een Fjellstue en wordt
gerund als een boerderij. Kongsvoll werd bij wilsbeschikking door de
laatste eigenaar overgedragen aan de staat en is nu gedeeltelijk in
gebruik als Fjellstue. Onder beheer van de universiteit in Trondheim,
welke het beheert namens het ministerie van Milieu. Fokstua is nu ook
een boerderij en dus de Hjerkinn Fjellstue is het enige volledig
operationele oude Fjellstue nog in Noorwegen.
Hjerkinn Fjellstue is op 18e juli 1990 afgebrand.
Het nieuwe hotel opende haar deuren 10 januari 1992.”

Maar natuurlijk verblijf ik hier
niet vanwege deze geschiedenis. De ligging, vlakbij de Dovre en de
Dovrefjell, spreken mij erg aan. En natuurlijk ook de vele
wandelmogelijkheden. Maar het zijn de paarden die de werkelijke reden
van mijn verblijf zijn. Ik ga hier 6 dagen paardrijden, door de bossen
en over de fjells. De Fjellstue organiseert meerdaagse tochten met
IJslandse paarden. Ik heb gekozen voor de 6-daagse tour. En dat betekend
4 halve dagen rijden en twee hele dagen. Op IJslandse paarden. En dat
maakt het dan weer extra speciaal.
'IJslanders zijn anders' hoor je vaak zeggen. Wat
is er eigenlijk zo bijzonder aan dit ras? Het kleine formaat en de
bijzondere kleuren vallen direct op. Maar voor veel IJslanderruiters
maken vooral het temperament en de extra gangen van rijden een feest.

Karakter
Een typische IJslander is zelfstandig, werklustig,
sensibel en vriendelijk. IJslanders zijn echte kuddedieren. De jonge
paarden groeien in grote groepen op, vaak in begrazingsprojecten. De
kuddegenoten geven elkaar een gedegen opvoeding in respect en
communicatie. Iets waar de ruiter later weer profijt van kan hebben. De
eerste rit op een IJslander is voor veel ruiters een openbaring. Een
echte IJslander denkt voorwaarts, dus loopt uit zichzelf. Niet te
vergelijken met het gemiddelde manegepaard! Bij veel IJslanders valt ook
hun sensibiliteit op. Lichte hulpen zijn vaak voldoende om het paard aan
het werk te zetten. En bij de versnelling komt de sensatie: de tölt!
Gangenpaard
Het zal niemand verbazen dat de IJslander, net als
ieder paard, kan stappen, draven en galopperen. Maar een gangenpaard kan
meer! De IJslander heeft nog twee versnellingen tot zijn beschikking: de
tölt en de telgang.
Tölt
In de tölt zijn het paard zijn benen hetzelfde neer
als in de stap. Het gaat alleen wat sneller. Of veel sneller: kijk maar
eens naar een IJslander die in vliegende rentölt langskomt. In de tölt
heeft het paard geen zweefmoment. Dat betekent dat er altijd een voet
aan de grond is, het paard maakt dus geen ‘sprongetje’. En daardoor zit
een goede tölt zeer comfortabel, ook op hoge snelheid. In een goede tölt
loopt de IJslander sterk verzameld met veel oprichting van de voorhand.
Het paard heeft een trotse houding, gecompleteerd door het ritmisch
meedeinen van de staart.
Telgang
In de telgang beweegt de IJslander de twee benen
aan één kant tegelijk. Dus eerst gaan het linker achter- en voorbeen
tegelijk naar voren, dan het rechter achter- en voorbeen. Daartussen is
een zweefmoment: alle vier de benen zijn even los van de grond. In deze
gang kan de IJslander erg hard gaan. Je ziet ook vaak IJslanders in een
langzame telgang lopen. Uit de benaming schweinepass blijkt al wel dat
deze vorm van ‘telgang’ niet gewaardeerd wordt. Niet alle IJslanders
kunnen telgangen. Paarden met alleen tölt noemt men viergangers; als ze
ook aanleg hebben voor telgang spreekt men van vijfgangers.
Bij veel IJslanders lopen de gangen min of meer in
elkaar over. Het vraagt daardoor wel wat techniek en veel gevoel van de
ruiter om de verschillende gangen goed te rijden. Die complexiteit maakt
voor veel IJslanderruiters het rijden alleen maar boeiender. Ruiters die
een natuurtölter treffen hebben het overigens beduidend makkelijker: dit
soort IJslanders tölt altijd en overal, onder alle omstandigheden.
Bron : Nederlands Stamboek voor IJslandse paarden.


|